maandag 13 september 2021

Het is vreemd hoe snel we aan de nieuwe situatie gewend zijn geraakt. Als ik met mijn hond Joep het schoolgebouw binnenkom, kijken de enkele vroege leerlingen die er al zijn niet eens meer op.
In het nog lege lokaal zet ik mijn tas neer. Joep gaat al vanzelf in zijn mand liggen, achter mijn bureau. Twee jaar geleden zat ik in ditzelfde lokaal. Toen tegenover tien leerlingen. Volwassenen, die mij uithoorden over de beginselen van het schrijven van kinderverhalen. Een cursus van de Volksuniversiteit, drie keer een maandagavond. Achter in het lokaal hangt een citaat van Thea Beckman: Een boek gaat over wat je er zelf uithaalt. Niet over wat de schrijver belangrijk vindt.
Het lokaal is nog hetzelfde, de omstandigheden zijn compleet veranderd. Ik weet niet hoeveel van die tien cursisten nog in leven zijn. Volgens de schattingen waarschijnlijk twee of misschien drie. De kinderen hebben het beter doorstaan. Uit elke klas van twintig leerlingen zijn er maar één of twee die het niet gehaald hebben.

Enkele maanden geleden begonnen we met de voorbereidingen om het onderwijs weer op te pakken. Het was voor mij een logische stap om Nederlandse les te geven op de middelbare school. Boeken schrijven, andere mensen helpen met het beter maken van hun schrijfwerk, dat komt wel weer. We moeten eerst onze eigen verhalen zien te verwerken.
De eerste leerlingen druppelen binnen. Het is halftien. De lessen starten laat, er zijn maar drie of vier lesuren op een dag. Twee weken geleden zijn we begonnen en na een onwennige eerste week, vonden we langzaam onze draai. Nu lijkt het of we weer in een routine zitten. En dat voelt goed. De volwassen bevolking mag dan flink uitgedund zijn, wij kunnen wel onze kennis en ervaring overbrengen op deze jonge mensen die de toekomst hebben.

*

Anderhalf jaar geleden begon het. Een paar weken weinig sociale contacten, zo veel mogelijk thuis blijven, en dan zouden we het allemaal onder controle hebben. In eerste instantie leek deze aanpak ook te werken. De hoge piek waarvoor gevreesd was bleef uit en het aantal zieken stabiliseerde zich eind april. Scholen gingen mondjesmaat weer open, mensen zaten weer op kantoor, het filenieuws had de vertrouwde meldingen op de A2 en de A15. De regering had maatregelen genomen om de economische klappen op te vangen voor de bedrijven die zoveel omzet waren misgelopen, waardoor de meeste er wel weer bovenop zouden komen.
Begin mei kwam het vliegverkeer weer op gang. We vierden een alternatieve Koningsdag op 16 mei, de dag waarop eigenlijk het Songfestival zou worden gehouden. Kleedjesmarkt, muziek, een gezellige oranje sfeer op straat. De saamhorigheid was nooit zo groot.

Toen kwam de tweede golf. Een variant van het virus met een incubatietijd van drie tot vier weken. Die kwam via China uit het Midden-Oosten, en had zich als een sluipmoordenaar in die weken al over heel Europa, Azië en Noord-Afrika verspreid. De piek kwam eind mei. Zorgverleners hadden alles al gegeven. Mensen waren nog moe van de spanningen van maart en april. Maar nu begon het eigenlijk pas echt.

*

‘Wat gaan we doen?’ vraagt Thomas. Hij hangt voorover op zijn tafel. Blond, net iets te lang haar dat over zijn oren valt. Om negen uur opstaan is nog steeds vroeg, als je veertien bent en uitgeput door wat je hebt moeten doorstaan. Eenentwintig stuks zijn het er. Toen het begon zaten ze in de brugklas van de havo. We hebben besloten dat ze nu in de tweede klas zitten.
‘Schrijven,’ zeg ik. ‘Pak pen en papier.’
Een zucht van protest gaat door de klas, gevolgd door gerommel in tassen.
‘Wat moeten we schrijven?’ Romy. Vanaf dag één was ze duidelijk blij weer naar te school te gaan. De afgelopen twee weken is ze opgeleefd. Af en toe zie ik een kleine helderblauwe sprankel in haar eerst zo doffe ogen. De structuur doet haar goed.
‘Een brief. Jullie schrijven een brief aan je vader of moeder, of iemand anders van wie hield en die er niet meer is. Schrijf over je leven nu. Hoe je dag eruitziet. Waar je dankbaar voor bent. Wie je mist. Of wat je mist. Waar je van baalt. Waar je op hoopt.’
De punten die ik noem had ik al klaargezet op het digibord, dat zet ik nu aan.
Sterre steekt een hand op. ‘Hoe lang moet het worden?’
‘Dat maakt niet uit. Als jullie het komende uur maar schrijven. O ja, ik hoef het niet te lezen, je schrijft het voor jezelf. Je mag de brief straks zelf houden, maar je mag hem ook verscheuren of verbranden.’
Een paar twijfelende gezichten. Ik glimlach. ‘Er is geen goed of fout. Het gaat niet om de taal. Het gaat erom dat je oefent met jezelf schriftelijk uitdrukken. En door persoonlijke ervaringen op te schrijven, leer je misschien ook nog wat over jezelf. Zakelijke teksten komen later wel.’
Met de richtlijnen voor de leerstof gaan we creatief om. Het verwerken van alles van de afgelopen anderhalf jaar heeft nu voorrang.

*

Enkele dagen na het begin van de tweede golf raakten mensen in paniek. Na het plunderen van de supermarkten en drogisterijen sloten mensen zichzelf op. De ziekenhuisbedden waren vol, er was niet genoeg verplegend personeel, er was een tekort aan medische hulpmiddelen zoals beademingsapparatuur. Maar het was al te laat. De meeste mensen droegen het virus grotendeels bij zich. Door de extreem lange incubatietijd had niemand door dat hij besmettelijk was en ook zonder ziekteverschijnselen droeg iedereen het aan anderen over.

Ook ik werd halverwege juni ziek. Keelpijn, moeilijk ademen en hoge koorts, waardoor ik niet meer helder kon nadenken. Het ergste was de hoofdpijn. Bij de minste beweging leek het of mijn hersenen in een kramp schoten. Een continu drukkend gevoel achter mijn ogen, waardoor ik het liefst stil in het donker met ogen dicht bleef liggen. Het huis vervuilde; ik kon de hond niet uitlaten en er was niemand anders die dit kon doen. Vrienden, familie, iedereen moest voor zichzelf of een ander zorgen. Gelukkig kon ik hem zoveel mogelijk op het balkon zijn behoefte laten doen.
Na enkele dagen merkte ik dat ik meer lucht had en dat ik voorzichtig mijn hoofd weer kon bewegen zonder het gevoel te hebben dat mijn schedel zou openbarsten. Het belangrijkste was dat alles nog werkte. Elektriciteit, televisie, internet. De communicatiemiddelen waren cruciaal. Ik trok bij mijn ouders in, die ook allebei ziek waren geworden. Het was uitzichtloos. Het enige wat ik nog kon doen was zo goed mogelijk voor hen zorgen tot het afgelopen was en speciale dienst kwam om hen op te halen.

Pas toen ik uit die cocon was, drong de realiteit echt tot me door. Mensen zetten filmpjes online van massagraven. In andere delen van de wereld werden de lijkenhopen verbrand. Er was geen tijd om stil te staan bij de verliezen. Ook voor mij niet, hoewel ook ik iedereen om me heen zag wegvallen. We moesten door met redden wat er te redden viel.
Nu ik beter was, hoefde ik niet meer bang te zijn om anderen te besmetten. Iedereen die immuun was droeg een blauwe band om zijn arm, om aan te tonen dat hij veilig was. In die droge, hete zomer kwamen we wekelijks bijeen op het gemeentehuis om te bespreken wat er moest gebeuren. Voedselpakketten moesten worden verdeeld voor mensen die niets meer hadden. Het vuilnis dat al weken in de hitte op straat stond moest worden opgehaald. Vanuit de landelijke overheid, of wat er nog van over was, kwamen voorschriften en richtlijnen, maar gemeentes waren vrij om daar hun eigen invulling aan te geven.

We richtten het sportcentrum in om kinderen op te vangen die hun ouders waren verloren en die niet direct bij familie terechtkonden, omdat die ook ziek waren, of geïsoleerd zaten. Vrijwel alle kinderen kwamen er goed doorheen, wat ons hoop gaf. Het gaf ons de kracht om die lange zomerdagen door te kunnen gaan. Inmiddels woonde ik bij mijn schoonzus in, die nu de zorg voor drie kinderen had. De doden bleven komen, de massagraven werden groter.

Toen kwam de herfst. De distributieketen lag stil. Medicijnen waren op en de apotheken waren allang geplunderd. De winter kwam, en mensen braken in leegstaande huizen in om voorraden te zoeken. Als ik op zolder weer wat uit onze voorraad pakte, dacht ik terug aan dat moment, nog voordat de overheid in Nederland alle maatregelen oplegde, dat mijn broer foto’s stuurde van zijn hamsterwoede. Nu waren we er dankbaar voor. Nog dankbaarder waren we voor de mensen die zich inzetten om het gas en het elektriciteitsnet werkend te houden. Die winter waren voor het eerst sinds jaren de sloten weer wekenlang bevroren.

*

‘Mevrouw?’ Romy kijkt me vragend aan. Ze heeft al een heel kantje volgepend. ‘Denkt u dat er nog een keer zo’n virus komt?’
Ik huiver om de gedachten aan die donkere, koude winter van me af te schudden. ‘Dat weten we natuurlijk nooit,’ antwoord ik, hoewel ik het liefst zou willen liegen, zeggen dat dit nooit meer zal gebeuren. ‘Maar mensen reizen nu niet meer zoveel als vroeger. En mocht er weer een uitbraak komen, dan weten we nu hoe belangrijk het is om iedereen meteen te isoleren.’
Iedereen kijkt nu op. Sommigen hebben net als Romy flink doorgeschreven. Anderen hebben er meer moeite mee. Bij Thomas zie ik twee zinnen op zijn blaadje staan.
‘Weet je waar ik dankbaar voor ben?’ zeg ik dan. ‘Dat alles wat we hebben opgebouwd nog bestaat. We hebben elektriciteit, stromend water, internet. De ziekenhuizen zijn weer in gebruik. Het financiële verkeer werkt nog zoals voorheen. Iedereen krijgt nu een basisinkomen. Landbouw, veeteelt, distributie, voedsel, alles is sinds de lente weer op gang gekomen.’
De lente van 2021 was een nieuw begin. Er raakten geen mensen meer besmet, het virus had zijn werk gedaan. We hadden tijd om stil te staan bij het voorbije jaar en konden weer plannen maken voor de toekomst.
Achter me is Joep wakker geworden. Hij rekt zich uit met een luie gaap en komt een aaitje bij mij halen, waarna hij tussen de tafeltjes doorloopt om aan de benen van de kinderen te snuffelen en nog meer aaitjes op te halen.
‘In alle beroepsgroepen zijn er mensen die het hebben overleefd,’ vervolg ik, ‘waardoor we onze maatschappij weer kunnen opbouwen. Iedereen draagt kennis aan elkaar over en ook dankzij internet kan iedereen alle informatie krijgen die hij nodig heeft. Iedereen doet nu werk dat er echt toe doet.’
Ik wacht even, omdat ik moet slikken. ‘Ondanks alle verliezen die we hebben geleden, kunnen we nu weer vooruitkijken.’
‘En de stikstofcrisis is opgelost.’ Romy is een wijs kind.
‘Ik denk…’ begin ik, terwijl ik met een glimlach toekijk hoe Thomas Joep achter z’n oor kriebelt. ‘Ik denk dat het er voor de wereld een stuk beter uitziet dan anderhalf jaar geleden.’
Net als de rest van de klas schiet ik in de lach door Joep z’n knorrende geluidjes.

maart 22nd, 2020